Technische informatie over trappen

Voor de constructie van trappen gelden nogal wat regels. Wettelijke eisen zijn vastgelegd in het Bouwbesluit. Nog strengere eisen zijn vastgelegd in de NEN3509 norm. De wettelijke eisen die er gelden zijn afhankelijk van de ruimte waarin de trap wordt geplaatst. Wij behandelen hieronder enkele begrippen en de technische eisen en afmetingen van de onderdelen waaruit een trap wordt opgebouwd.

Aantrede

De horizontale maat van het tredevlak, gemeten op de looplijn en loodrecht op de voorkant van het tredevalk tot aan de verticale projectie van de voorkant van de bovenliggende trede op het betreffende tredevlak. Deze moet minstens 22 cm zijn.

Breedte van de trap

De kleinste maat tussen een afscheiding of de buitenzijde van de trapboom enerzijds en de buitenzijde van de trapboom. De minimumbreedte van de trap moet 80 cm zijn.

Beloopbaarheid

De beloopbaarheid geeft de schuinte van de trap aan. Deze kan berekend worden door te kijken naar de verhouding tussen optrede en aantrede. De uitkomst wordt ook wel de 'luiheid' van de trap genoemd.

De formule is 2x optrede + 1x aantrede, waarbij de uitkomst tussen de 57 cm en 65 cm moet liggen. Hoe lager, hoe luier de trap. Uitkomst van de formule is maximaal 59 cm (2 x 18.5 + 1 x 22).

Hoofdbaluster (hulpsil)

Dit is een loodrecht opgaand, vaak rechthoekig, deel van de trap ten opzichte van een uiteinde van een trapboom om de trap en/of vloerhekken te bevestigen.

Hoogte onderkant vloer

De hoogtemaat wordt gemeten vanaf de bovenkant van de onderliggende vloer tot de onderkant van het plafond t.o.v. de vloer. De minimale hoogte moet 260 cm zijn.

Hoogte van de trap

Dat is de hoogtemaat ten opzichte van de trap, gemeten vanaf de bovenkant van de vloer tot de bovenkant van de bovenliggende vloer c.q. bovenste trede van de trap en maximale afmeting is 400 cm. Als een trap een grotere hoogte moet overbruggen, dan zal een bordes met een minimale vrije oppervlakte van 80 x 80 cm in de trap moeten worden opgenomen.

Klimlijn (zie ook looplijn)

Dit is een denkbeeldige, vloeiende lijn, die de voorkanten van de treden met elkaar verbindt. Deze lijn (dat kunnen er meerdere zijn, zolang ze maar aan de eisen voldoen) moet minimaal 30 cm uit de aangrenzende muur of afscheiding respectievelijk de buitenzijde van de trap liggen. Deze lijn moet ten opzichte van verdreven treden van de trap bovendien een voldoende grote schaal hebben om een vloeiend verloop te krijgen.

Loopgebied

Dit is het gebied waar de klimlijn/looplijn van de trap moet liggen. Gezien de minimumbreedte van de trap (80 cm) en het gegeven dat de klimlijn minimaal 30 cm uit de zijkant van de trap c.q. de aangrenzende muur en/of afscheiding moet liggen, resteert een loopgebied van 20 cm (80cm - 2x30 cm).

Looplijn

De horizontale projectie van die klimlijn, waarop de aantrede gelijk zijn. Dat is de looplijn die aangeeft hoe een persoon op de trap moet lopen.

Optrede

De optrede is loodrecht gemeten de afstand tussen de bovenzijden van twee opeenvolgende tredevlakken.

Stootbord

Een verticaal geplaatst deel van de trap, veelal van massief hout of plaatmateriaal, dan dient ter afsluiting van de opening tussen 2 opeenvolgende traptreden en de aansluitende trapbomen en/of spil. Een trap zonder stootborden wordt ook wel een open trap genoemd en een trap met stootborden een dichte trap.

Spil

Een loodrecht opgaand, meestal rechthoekig, houten deel waarop de hoektreden van een trap steunen of in vastgemaakt worden. De spil steunt vaak op de onderliggende vloer of de spil van een onderliggende trap. Ook zorgt de spil voor de koppeling/ondersteuning/bevestiging van trapbomen en/of traphekken.

Trapboom

Verticaal deel aan de buitenzijden van de trap, waarop de treden steunen of in vastgezet worden. Dit kan o.a. in verschillende vormen gebeuren, namelijk:


1. Treden ingelaten in de trapboom (dichte boom). Meestal zijn deze bomen 38 mm dik.
2. Treden op uitgekeepte trapboom vastgemaakt (keepboom). Deze bomen zijn meestal 38 mm dik. Bij deze boomvorm zijn stootborden een optie.
3. Treden op klossen bevestigd, die vervolgens weer op een onderslag steunen (opgekloste boom).
De klosvormen kunnen verschillen en zijn vaak 38 mm dik. De afmeting van onderslag is afhankelijk van de te overspannen lengte.

Traptrede

Traptrede is standaard 38 mm dik.

Tredebreedte

Een trede moet minimaal 23 breed zijn. Als men de minimum aantrede verhoogt met de 4 cm van de welbreedte, resulteert een minimum tredebreedte op de looplijn van 26 cm.

Vrije hoogte (ook "doorloophoogte" genoemd)

Dat is de hoogtemaat, recht gemeten tussen elke willekeurige positie op de voorkant van een trede en het daarboven aanwezige bouwdeel. Minimale afmeting is 230 cm.

Welbreedte (ook "wel" genoemd)

Hieronder wordt verstaan het overstek van de bovenliggende trede ten opzichte van de onderliggende trede. De gebruikelijke maat is 4.5 cm. De geëiste welbreedte is 1 cm.

Welstuk

Het welstuk is de bovenste traptrede die aansluit tegen de vloer. Deze is vaker smaller dan de andere treden van een trap.